Veilige thuishaven

 
Veilige thuishaven
Ik weet eigenlijk niet meer precies wanneer de volle betekenis van een zogeheten normaalverdeling tot mij doordrong. Ik denk dat het op de universiteit moet zijn geweest, bij de eerste colleges over statistiek. Ik kan me niet herinneren dat toen – we schrijven jaren zeventig – zoiets al tot de lesstof van de middelbare school behoorde. Maar ik kan me vergissen.
Hoe het ook zij, de curve, een wat stompe berg in het midden, met twee aflopende zijkanten, maakte indruk. Niet als plaatje, maar waar het voor stond. Ik realiseerde me ineens dat de normaalverdeling de samenleving in een grafiek verbeeldde. Je hebt altijd een hoofdstroom, een mainstream, een gemiddelde en alles wat daar in de buurt vertoeft, maar je hebt ook altijd de afwijking, de deviatie heette dat in de statistiek, de twee uitersten die buiten de boot van het normale vallen. De afwijkingen. Die vallen uit de toon, voldoen niet aan het profiel waar de meeste mensen aan voldoen. Die wijken dus af. Grofweg gaat het percentages tussen de 5 en 15 procent) aan beide kanten van het gemiddelde.

15 procent
Ik ben die afwijkingen in mijn werk vaak tegen gekomen, zij het vaker de afwijkingen aan de linkerkant van het spectrum dan die aan de rechterkant. Of het nu om intelligentie gaat, om welvaartsverdeling, om schoolprestaties – overal is de normaalverdeling van toepassing. Zo is het normaal dat zo’n 15 procent van jeugdigen een IQ heeft dat onder de grens van 80 uitkomt, zo is het standaard dat 15 procent van de huishoudens grote financiële problemen, krijgt 15% van de jeugdigen een vorm van jeugdhulp en – aan de andere kant – 15 procent van de huishoudens zich tot de rijken mag rekenen. Eigenlijk geldt dat ook voor het onderwijs, de grote meute van de kinderen doorloopt het volgens het normale patroon, maar zo’n vijftien procent valt aan de linkerkant buiten de boot.
Dat is al zo’n beetje honderd jaar het terrein van het speciaal en tegenwoordig passend onderwijs. In sommige gevallen is het evident dat kinderen zover van het gemiddelde afstaan dat ze inderdaad van een buitencategorie zijn: gewoon eigen onderwijs, vaak heel veel zorg en aandacht nodig hebben. Maar spannend wordt het natuurlijk voor de groep kinderen die ten onrechte als speciaal worden gezien, maar eigenlijk daar helemaal niet thuishoren. Ze hebben genoeg talent om ‘gewoon’ te zijn, maar het zit ze door omstandigheden tegen. Daar hebben we passend onderwijs voor ontwikkeld.

Meer- en hoogbegaafd
Maar eigenlijk hebben we nooit heel goed naar de andere kant van de normaalverdeling gekeken. Daar vertoeven de kinderen die bovengemiddeld slim zijn, meer- en hoogbegaafd dus. Dat zijn kinderen die in het normale onderwijs niet altijd aan hun trekken komen, zich al snel vervelen, en waarbij sommigen door hun afwijkend gedrag snel voorwerp kunnen zijn van pesten of anderszins naar gedrag. Want de normale middenmoot houdt nu eenmaal niet van buitenbeentjes en uitzonderlijkheden. Ook al een verschijnsel dat eeuwen oud is.
Heel veel medelijden hebben deze kinderen niet opgewekt. Onze verzorgingsstaat maakt zich – en misschien ook wel terecht – meer druk om de achterblijvers dan om de voorlopers. Wie slim is kan zichzelf redden, wie dat niet is, kan rekenen op zorg en ondersteuning. Solidariteit is nu eenmaal een woord dat geijkt is op de zwakkeren, niet op de rechterkanten van de normaalverdeling.
Toch is de laatste jaren steeds duidelijker geworden dat dit voor veel kinderen niet terecht is. Het is niet altijd een pretje om hoogbegaafd te zijn. Qua slimmigheid jaren voor lopen op je sociale, fysieke of emotionele ontwikkeling is voor veel kinderen een beproeving, een worsteling waar ze niet altijd uitkomen. Begaafdheid beschermt niet tegen ADHD, dyslexie of autisme en dan weet de buitenwereld soms maar moeilijk raad met deze leerlingen, en ook de school zit vaak met de handen in het haar.

Veilige haven
Gelukkig begint dat te veranderen. Ouders hebben zich georganiseerd en er zijn steeds meer methodes in omloop waarin kinderen juist in hun uitzonderlijke talenten worden uitgedaagd. Subsidieprogramma’s zijn opgezet. Dat is een goede ontwikkeling, want zoals het goed is dat kinderen in hun schoolleven geconfronteerd worden met de afwijkingen in de vorm van handicaps en al dan niet verstandelijke beperkingen en daar een omgang en mededogen voor weten te ontwikkelen, zo is het ook goed als kinderen in hun schoolleven begrip kweken voor bijzondere talenten. Dat ze nieuwgierig worden naar het uitzonderlijke, dat het gewone inderdaad niet gek genoeg is.
Dat is vooral ook – ik kan het niet vaak genoeg benadrukken – een sociaalpedagogische opgave. Het is opvoeden in diversiteit. Het is de cultuur in het klaslokaal die inclusief moet werken voor de twee uiteinden van de normaalverdeling. En natuurlijk moet er meer ruimte komen voor de individuele leermogelijkheden en capaciteiten, zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde. Dat staat buiten kijf, maar dat heeft zeker ook zijn grenzen. Het is niet per definitie zo dat wat goed is voor ‘the best’ ook goed zou zijn voor ‘de rest’, een geluid dat soms te horen valt als het om hoogbegaafdheid en het onderwijs gaat. Evenmin past het beeld wat dat als het niveau van het onderwijs stijgt iedereen daar mee van profiteert. Niet alle bootjes gaan drijven bij vloed. Helaas zijn sommige bootjes lek of niet opgewassen tegen een storm. Het onderwijs moet niet alleen in het teken staan van koplopers en slimmeriken, maar een veilige thuishaven zijn waar kinderen hun talenten maximaal kunnen ontplooien, sociaal op elkaar betrokken zijn en van elkaar leren. Precies de omgeving die ouders van hoogbegaafde kinderen voor hun kinderen zouden moeten wensen.