Met het verleggen van een leeftijdsgrens ben je er niet

Op 16 november behandelt de Vaste Kamercommissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de evaluatie van de Wet Passend Onderwijs. Dat was eigenlijk al afgesproken bij de invoering van de wet in 2014. Er was immers in het verleden door onderwijsministers en –staatssecretarissen al zo vaak en zoveel aan het speciaal onderwijs gesleuteld dat de Kamer nu de vinger aan de pols wilde houden. Want alle mooie bedoelingen ten spijt, van de fraaie beleidsvoornemens was over het algemeen maar weinig terecht gekomen. De Contourennota (1975), Weer Samen Naar School (1990) en het Rugzakje (2002), allemaal beleidsinterventies die de afstemming tussen regulier en speciaal onderwijs moeten verbeteren en gericht zijn om het inclusieve karakter van het onderwijs te verbeteren.
Het speciaal onderwijs bleef echter groeien en het reguliere onderwijs had grote moeite om echt inclusief onderwijs van de grond te tillen. Vandaar dat de politiek bij de laatste wettelijke interventie in 2014 meteen maar heeft afgesproken de invoering van de wet goed en grondig te evalueren, al was het maar om niet opnieuw met een mislukking geconfronteerd te worden.

Hamvraag
Daarom kan je niet bepaald zeggen dat het debat waar de Tweede Kamer zich nu aan gaat zetten over een nacht ijs zal gaan. Maar liefst 72 evaluatie-onderzoeken zijn er aan vooraf gegaan, kosten noch moeite zijn in dat opzicht gespaard. Dat alles leidde in mei tot een eindevaluatie, waarin alle onderzoeken weer bijeen werden gebracht met een wat dubbele conclusie: er zijn problemen (te veel thuiszitters, overbelaste leerkrachten), maar er gaat ook veel goed (kosten worden beheerst, expertise groeit).  Of het onderwijs nu echt inclusiever is geworden, daarover waagden de onderzoekers Guuske Ledoux en Sietske Waslander vooralsnog geen eindoordeel te vellen.
Je zou verwachten dat de discussie in de Tweede Kamer over meer inclusiviteit zal gaan. Bieden we in het onderwijs kinderen en jongeren die kwetsbaar zijn of een beperking hebben de beste route naar een volwaardige plek in de samenleving? Te vrezen echter valt dat in de aandacht voor specifieke, maatschappelijk schrijnende kwesties die hamvraag al weer snel naar de achtergrond zal worden gedreven. In politiek heerst immers de waan van de dag over de visie op de toekomst. Dus zullen er meer woorden vuil gemaakt worden over de vermogensopbouw van samenwerkingsverbanden dan over de meest optimale toekomstkansen van leerlingen in het (speciaal) onderwijs. En dat is jammer.

Verlengen
De Tweede Kamercommissie zal ook spreken over de duur van zogenaamde ‘toegangsbewijzen’ (tlv’s) voor het speciaal onderwijs. Er is vanuit ouders en het onderwijsveld een grote druk om deze tlv voor het cluster 3 van het speciaal onderwijs van 12 tot twintig jaar te laten gelden. Nu is dat in de praktijk vaak 18, met de mogelijkheid om dat in individuele gevallen te verlengen. Sommige samenwerkingsverbanden zijn daar als gevolg van bezuinigingen na de invoering van de Wet Passend Onderwijs in 2014 uiterst terughoudend in geworden, om op zo’n manier kosten te besparen. Nogal wat ouders zijn daar tegen te hoop gelopen, omdat zij vonden dat hun kinderen in het onderwijs nog veel te halen hadden. Daarin vinden zij nu gehoor bij onder meer GroenLinks-politica Lisa Westerveld en PvdA-politica, Kirsten van den Hul die in een (aangenomen) motie aansporen om de groep jongeren met een ernstige meervoudige beperking ook na hun 21-ste onderwijs te laten volgen.
Heeft zo’n algemene maatregel om te verlengen tot 20 jaar en voor een kleinere groep nog veel langer zin? Ongetwijfeld voor sommige groepen kinderen wel, daarover hoeft geen twijfel te bestaan. Maar zo’n algemene beleidsmaatregel zal er toe leiden dat deze groepen jongeren in principe tot ruim na hun twintigste onder de hoede van het speciaal onderwijs blijven. Dat gaat hoe dan ook veel meer geld kosten wat nu niet beschikbaar is (en dus wel door de Kamer gevonden moet worden), maar belangrijker is de vraag of dat voor hen nu de meest optimale route zal zijn om de stap naar een volwaardige plek in de samenleving te maken.

Optimale routekaart
Ik waag dat te betwijfelen. Ik denk dat voor nogal wat jongeren geldt dat zij na hun zestiende, zeventiende jaar eigenlijk beter kunnen leren in een dagbestedings- of arbeidsorganisatie dan in een onderwijssetting en dat het voor hen eigenlijk beter zou zijn om geld naar die organisaties te brengen dan het in het onderwijs te houden. Voor andere jongeren geldt dat niet, maar de professionele kunst zou moeten zijn om voor elke jongere vanaf het zestiende jaar de meest optimale routekaart uit te tekenen voor de meest optimale maatschappelijke integratie. Dat kan in de dienstverlening zijn, in de horeca, bij kringloopwinkels, in beschutte arbeid, in een dagbestedingstraject, via begeleid wonen of zelfstandig wonen, via een mentor en met inzet van jeugdhulp of wmo, met wajonguitkering of met vrijwilligerswerk, met veel of weinig ondersteuning.  Ouders, leerkrachten en professionele deskundigen zouden daar in ieder geval ruim voor het achttiende levensjaar een gezamenlijk plan voor moeten maken en daartoe door de financiering en niet gehinderd door verkokerde schotten een vervolg aan moeten geven.
Als de Kamer zoiets mogelijk zou maken dan zou dat daadwerkelijk een stap vooruit betekenen in het realiseren van het doel waar het uiteindelijk om zou moeten gaan: kinderen en jongeren op een doordachte wijze naar een veilige en volwaardige plaats in de samenleving te begeleiden. Maar daar is dus meer voor nodig dan het eenvoudig verlengen van de leeftijd waarop een TLV geldt. Daarvoor is lef en visie nodig. Geld en betrokkenheid van Kamerleden met andere portefeuilles. Laten we hopen dat er van dat alles in de Tweede Kamer nog genoeg voorradig is.
 
Hetty Vlug
20-10-2020