De begrenzing van passend onderwijs

Een paar dagen nadat de Tweede Kamer bijna een hele dag had gediscussieerd over de evaluatie van het passend onderwijs en de 25 verbeteringsmaatregelen van onderwijsminister Slob, schreef een groep onderzoekers een interessante bijdrage op de opiniepagina van de Volkskrant. De groep werd gevormd door Sietske Waslander, Guuske Ledoux, Ton Eimers, Anke de Boer, José van der Hoeven, Ed Smeets en Miriam Walraven, allemaal wetenschappers die de vele evaluatieonderzoeken hebben uitgevoerd, die sinds de invoering van de Wet passend onderwijs zijn uitgevoerd. Zij weten dus waarover ze schrijven.
De onderzoekers constateren dat het draagvlak voor passend onderwijs bij leerkrachten aan het afnemen is. Er zijn sinds de invoering zeker resultaten bereikt, maar dat leerkrachten daar te weinig van merken. Bij hen overheerst het gevoel dat zij zich zwaarder belast voelen door leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Ze hebben het gevoel dat ze daar te weinig voor kunnen betekenen en dat leidt tot frustratie.

Verzameling individuele leerlingen
Dat heeft, zo constateren de onderzoekers terecht, te maken met wat er allemaal nog meer op scholen afkomt: het lerarentekort, omvangrijke groepen en de hoge werkdruk.  Dat zijn bepaald geen gunstige omstandigheden om extra aandacht aan leerlingen te geven die dat nodig hebben. Maar de wetenschappers wijzen ook nog op iets anders: zij bekritiseren het onbegrensde karakter van passend onderwijs. Ze schrijven: ‘Het is niet duidelijk voor wie passend onderwijs wel en niet bedoeld is. Voor leraren vallen alle leerlingen die ‘iets extra’s’ nodig hebben onder passend onderwijs.’ Het woord ‘passend’ suggereert bovendien een maatwerkaanpak die precies op de individuele leerling is toegesneden. En zulk intensieve individuele aanpak schuurt met de wijze waarop het onderwijs is ingericht, namelijk als een collectief georganiseerd leerproces, als een groepsproces.
Deze constateringen snijden zeker hout. In een cultuur waarin de alertheid van ouders over de prestaties van hun kinderen groot is, voelen leerkrachten de druk die dat oplevert. Ze moeten voortdurend tekst en uitleg geven. Daarbij komt dat er steeds meer verklaringen voorradig zijn die enigszins afwijkend gedrag kunnen verklaren en bij elk diagnose zou volgens de letter van de wet een vorm van aangepast individueel onderwijs horen. Dat hoeft overigens niet eens altijd gerealiseerd te worden, maar dat het met ouders besproken en overwogen kan worden, vormt een extra belasting voor leerkrachten. Eigenlijk zijn leraren steeds minder met een klas bezig en meer met een verzameling individuele leerlingen. En dat is, zo blijkt, een behoorlijk zware belasting.  

Begrenzen
De oplossing van de onderzoekers ligt voor de hand: we moeten het passend onderwijs begrenzen. We moeten de leraren ontslaan van de drukkende verplichting dat er voor iedereen die erom vraagt iets extra’s moet gebeuren. Jammer is wel dat de onderzoekers niet precies aangeven waar die grens getrokken moet worden. Ook de minister schept daarvoor in zijn verbeteringspakket geen helderheid over. Integendeel, zou je bijna zeggen, de minister wil een landelijke norm introduceren van wat scholen minimaal moeten bieden, maar dat moet zeker geen rem op een maximaal aanbod zijn. Maar ook de routekaart naar inclusiever onderwijs geeft geen begrenzing aan maar een opgave voor de gehele samenleving waar de route voor het onderwijs voor de komende 15 jaar wordt uitgetekend.
De vraag blijft of een begrenzing gaat lukken. Is er een selectie mogelijk van behoeften waar wel en waar niet passend onderwijs geboden is? In de geestelijke gezondheidszorg blijkt een vergelijkende beperkende beweging in ieder geval heel lastig. Daar dijde het aantal stoornissen de laatste vijftig jaar enorm uit. Steeds meer vormen van menselijk lijden werden van een diagnose voorzien en kregen een plek in de bijbel van de psychiatrische stoornissen: de DSM. In een halve eeuw verdrievoudigde het aantal geclassificeerde stoornissen. Met als kritiek dat steeds meer vormen van gewoon leed voorwerp worden van specialistische zorg en nogal eens van medicatie.

Vergelijking ggz
De weg terug blijkt echter moeilijk te vinden. Want zodra een diagnose en dus een behandeling voor handen is, blijkt het nagenoeg onmogelijk om deze niet aan te bieden. Het voelt als weigering om mensen te helpen, misschien dat verzekeraars daar wel wat voor voelen, maar zowel de mensen die er last van hebben als de professionals die er wat aan kunnen doen zijn niet echt genegen om een stapje terug te doen onder het motto: het hoort bij het menselijk bestaan, leer er maar mee leven.
Een vergelijkbaar mechanisme wacht het passend onderwijs bij pogingen om het te begrenzen. Zeggen we dan tegen de ouders van een beetje druk kind, dat hij er wel overheen groeit. Of van een faalangstig kind dat de school daar weinig aan kan doen? Of een hoogbegaafd kind dat moeite heeft met sociale contacten dat het wel goed komt met zo’n stel hersens? Te vrezen valt dat de aanwas van kritische ouders fors zal toenemen als dat soort keuzes daadwerkelijk gemaakt worden.
Wat op papier dus logisch lijkt, zal in de praktijk van het onderwijs, in de gesprekken tussen ouders en leraren, niet zo eenvoudig te realiseren zijn. Zeker als het om kinderen gaat, waarvoor iedereen nu eenmaal het beste wil. En dan valt een begrenzing dat iets de macht van het onderwijs te boven gaat, hoe realistisch wellicht ook, niet snel in goede aarde. Misschien moeten we ook in dat opzicht de vergelijking met de ggz doortrekken. Daar roept de kritiek op de grenzeloosheid van het menselijk leed ook niet meteen vragen op over het bestaansrecht van de ggz. Laten we dat bij het passend onderwijs ook doen.
 
23-11-2020