Corona en ongelijkheid

Sinds het moment dat de ernst van de coronacrisis tot het nationale bewustzijn doordrong en dus ook tot mijn voorstellingsvermogen heb ik zo nu en dan de neiging om mezelf in de arm te knijpen. Is dit allemaal echt? Hoe het ook zij, we leven in een periode van uitzonderlijkheid die niemand eerder heeft meegemaakt, en die iedereen zich straks – als het allemaal voorbij is – zich nog heel goed zal herinneren.

Maatschappelijke ongelijkheid
Uitzonderlijke omstandigheden brengen echter ook zaken voor het voetlicht waarvan we het belang in de routineuze dagelijkse gang van zaken toch niet helemaal meer zo scherp voor de geest hadden. Wat met een nieuw soort helderheid bij mij binnenkwam was het belang van het onderwijs om maatschappelijke ongelijkheid binnen de perken te houden. Sinds de Contourennota van minister Van Kemenade in 1975 heeft het onderwijsbeleid in het teken gestaan om kinderen zoveel mogelijk gelijke kansen te bieden om hun talenten te ontwikkelen. Van Kemenade bedacht daarvoor onder meer de Middenschool (een gedachte die onlangs weer door D66 is opgepoetst). Hij wilde ook af van het op grote schaal afzonderen van kinderen met een beperking in het buitengewoon onderwijs. Alleen in heel bijzondere gevallen zou dat in het speciaal onderwijs (hij introduceerde deze minder discriminerende term) mogelijk moeten blijven.  

Sindsdien weten we ook hoe moeilijk het is om die gelijkheid in het onderwijs ook daadwerkelijk te realiseren. De Middenschool is er nooit gekomen; echte integratie van kinderen die om een of andere reden niet goed mee kunnen komen is tot op heden om tal van redenen een moeizaam verhaal. Hoezeer het onderwijs zich er ook voor inzette, de factoren die ongelijkheid veroorzaken (thuissituatie, opleidingsniveau ouders, achterstandswijken) heeft ze nooit kunnen overwinnen. Ongelijkheid is nog steeds een thema.

Onderwijs biedt kansen
Maar de coronacrisis liet ineens de andere kant van dit verhaal zien, namelijk wat het onderwijs wel degelijk betekent om kinderen mee te nemen en kansen te bieden. Want ineens zitten alle kinderen thuis, zijn ze afhankelijk van wat hun ouders kunnen bieden aan begeleiding en afhankelijk van de aanwezigheid van apparatuur. Allemaal niet een onoverkomelijk probleem voor kinderen die uit een milieu komen waarin het culturele kapitaal goed is vertegenwoordigd, ouders ook thuis moeten werken en het thuisonderwijs gedisciplineerd aanpakken en er zelfs nog een creatief eigen sausje aan toevoegen. Dat zijn de kinderen die na de zomervakantie al weer wat slimmer aan een nieuw schooljaar beginnen, omdat hun ouders ze meenemen naar musea, kerken en andere educatieve aangelegenheden. Die kinderen houden aan de coronacrisis ongetwijfeld ook een goede herinnering over.
Maar er is een grote groep kinderen die dat allemaal niet hebben.

Bij een flink aantal niet omdat hun ouders onwelwillend zijn, maar simpelweg omdat in die gezinnen de omstandigheden ontbreken om energie in onderwijs te steken. Omdat de taalvaardigheden of de kennis ontbreken of omdat de stand van het gezin op overleven staat en niet op onderwijzen.

Onveilige thuissituaties
Het is bekend dat relatief veel kinderen in het speciaal basisonderwijs en (voortgezet)speciaal onderwijs in thuissituaties leven die sociaal-economisch zwak zijn en waar meer dan gemiddeld schulden voorkomen. Ze wonen vaker in kleinere woningen of bij familie of in een gezinshuis. Een groot  percentage ouders kan bijvoorbeeld geen vrijwillige schoolbijdrage betalen. Kinderen wonen relatief vaker in een eenoudergezin. Niet zelden hebben hun ouders beroepen zonder thuiswerkmogelijkheden. Dat zijn de omstandigheden (van een deel) van de gezinnen terwijl zij juist veel extra ondersteuning moeten bieden om hun kinderen thuis tot leren te brengen.  

En dan is er nog een groep kinderen voor wie het thuis niet veilig is, omdat er geweld dreigt, de ouders op voet van oorlog leven, er verslavingsproblemen zij of psychiatrische ellende. Dat zijn de kinderen voor wie de coronacrisis wonden kan slaan en voor wie het onderwijs een dagelijks en veilig toevluchtsoord is, maar ook een uitgestoken hand biedt om mee te doen, om mee te tellen en vooruit geholpen te worden.

Dat alles wisten we wel, daar zijn we op school elke dag mee bezig. Maar toen de scholen gesloten werden, kwam het besef ineens heel hard binnen dat we die kinderen aan hun lot moesten overlaten. De deuren moesten dicht en mochten daarna alleen open voor kinderen van ouders in vitale beroepen. Maar eigenlijk zijn we verplicht om alles uit de kast te halen voor die kinderen die om andere reden op school zijn aangewezen. Voor kinderen die thuis in onveilige situaties vertoeven zijn we daar ook met hulp van jeugdhulp en de gemeenten volop aan de slag gegaan.

Tandje bijzetten
Maar voor kinderen die thuis op achterstand raken moeten we de komende weken maar vooral ook straks als de deuren weer open gaan een tandje bijzetten. Meer uitwisseling tussen het speciaal en regulier onderwijs als we elkaar nodig hebben. Meer hulptroepen vanuit de sport en culturele sector. Maar ook – bij wijze van inhaalmanoeuvre: speciale schoolzomerkampen voor heel wat kinderen en zeker voor het speciaal onderwijs. Daar zouden we nu al mee aan de slag moeten. Helaas ontving ik afgelopen week van Humanitas een mail dat er dit jaar vanwege het Corona-virus geen Kindervakantieweken zijn. 

Dat stemt mij somber. Maar het onderstreept ook nogmaals de belangrijke taak die wij met ons allen hebben. Met scholen, met jeugdhulp en jeugdzorg, JGZ, welzijnswerk, GGD en talloze andere organisaties blijven we ons inzetten voor alle kinderen. Tijdens de corona-crisis, maar vooral ook erna. We kunnen het alleen maar samen doen.